DE ONTDEKKING VAN ITALIË
Una storia del nostro amico Dick Ket |
Reeds in de vijftiger jaren gingen wij op vakantie naar Italië. Toen was dit nog een heel avontuur. Als je onderweg een andere Nederlander tegen kwam, werd er gezwaaid. Of gestopt om ervaringen over de route uit te wisselen. De eerste jaren kachelden wij naar een camping - ik dacht dat hem de schone naam Venus was toegedicht - aan het Idro meer. Een klein meer even ten westen van het Garda meer. Een Scheveningse familie adverteerde in de Kampioen van de ANWB. Wij woonden in Den Haag, dus de link is snel gelegd.
We gingen echt op z'n Hollands. Dus alles mee. Gehuurde tenten, militaire dekens, spiritusbrander en eten. Veel eten. Voor een tiental mensen aardappelen en groenten. Maar ook koffie en thee. En vlees onder vet. Enerzijds hadden we nog een ongegrond wantrouwen tegen de Italiaanse tegenvoeters hiervan. Anderzijds werden zo de kosten in de hand gehouden. We wisten precies wat we kwijt waren en wat we vervolgens ter plekke konden uitgeven. We waren de trotse eigenaren een VW-bus. Met twee banken van een openbaar vervoersbedrijf achterin, om onze volksverhuizing mogelijk te maken. De banken moesten bij de Nederlandse grens nog even op het zelfgemaakte imperiaal. Om een belastingaanslag van invoerrechten en accijnzen te voorkomen. Dit doet een beetje denken aan de perikelen bij het huidige grijze kenteken.
De eerste keer dat wij in Italië onze tent opzetten, zal ik nooit vergeten. Het was op een ruime camping met (nog) weinig campinggasten. We hadden dus alle ruimte om een leuk plekje uit te zoeken. Alleen; het was laat - we reden om 23.00 uur onder de slagboom van de camping door - het was dus hartstikke donker.
Waardoor het moeilijk werd om alle vuistregels van het kamperen tot in de finesses na te leven. Dat was ook niet nodig. In Italië is het altijd mooi weer! Althans tot vijf uur in de ochtend. Toen brak een wolkbreuk los. Alleen boven onze tent naar 't scheen. We liepen snel onder. Niet zo'n klein beetje ook. Tientallen centimeters water stond er na korte tijd in onze tent. Koffie, thee, suiker dobberen vrolijk rond. Behalve het vlees. De gietijzeren pan met het vlees onder vet, was te zwaar. En hoewel deze onderdompeling slechts kort duurde, durfden we het toch niet meer aan, van dit "kadaver" te eten.
Toen de bui "uitgewolkbreukt" was, konden we de schade opnemen. Tevens werd toen duidelijk, dat we met de keuze van ons plekje, een staaltje knap werk hadden verricht. Het grote terrein kende wel geteld één kuil. En precies hierin hadden wij ons kampement opgeslagen. Een troost; 's morgens om 9 uur was alles droog. En was ik bij het aanschouwen van de fraaie omgeving meteen al verslingerd aan Italië. Bergen die loom onder hun nevelen dekbed vandaan kropen. Een dekbed waaronder het meer zich nog even lui koesterde. En waarin een visser zich moeizaam trachtte voort te bewegen. Zoals bij het lopen op een luchtkussen. Dit alles door een waterig ochtendzonnetje in koele pasteltinten gekleurd. Een aartsparadijs.